Bij het voormalig kraakpand
ligt een aangelegd strand.
Achter een hek met prikkeldraad,
speelt Ronaldo
de doelman door de benen.
Een halve liter
kost slechts drie euro.
Meisjes in korte rokjes
bieden sigaretten aan
Je kunt prijzen winnen
Er drentelt een man rond
die zijn rug naar mij toekeert
op het moment dat ik
mijn camera op hem richt.
Drie zelfbenoemde kunstenaars
gooien jeux de boule ballen
in elke, met zand gevulde, hoek.
De zon schijnt en fluistert zacht
dat er een mooie zomer
aanstaande is.
Ik krijg eindelijk weer
de beheerste, trage, werkschuwe tred
die mij ooit zo eigen was.
Soms ben je gewoon te lief,
wordt alles vaag en
begrijp ik niets
meer.
Tot mijn opluchting
verschijn je dan
in een droom.
Ergens in Barcelona
in een bus
bij de kruising
van de Kardinaal de Jongweg
en de van Everdingenlaan.
We stappen uit,
samen met een tutje
in een roze mantelpakje
die eruit ziet als Nina Brink
toen ze zestien was.
We lopen naar het verkeerslicht,
ik speel met m'n iPhone,
denkend, biddend, hopend,
dat jij het gesprek opent.
Jij steekt over,
negeert mij
en ik jou.
Een belofte lang geleden gemaakt,
een eed die ik niet meer kon ontlopen.
De uitdaging daar,
vol goede moed op weg
naar Mordor, of iets wat daar voor door gaat.
De mond
waar rook uitkomt
gaapt mij aan.
Als een soldaat van het westelijk front,
beveilig ik mij onvoldoende
tegen gif, gassen, stank.
Toch, doelen worden bereikt.
10 meter veroverd, om een foto te schieten.
De steile afdaling
die as voorspelt
lacht mij in het gezicht.
Iemand heeft de maan gestolen.
Dat doet pijn want
ik heb haar lief.
Ik huil 's nachts naar haar
in een hoek
waar niemand mij hoort
behalve zij.
Ik huil liederen
die niemand kent,
titelloze liederen
waar geen opnames van zijn.
Er is er maar één
die mij ooit heeft horen huilen,
die mijn liederen tot zich nam.
Zij is niet meer.
Zij is verdwenen,
gestolen.
Mijn huilende liederen
zijn verstompd.
Ik ben een kikker.
Een kikker, zegt u?
Ja een kikker,
verwant als amphibie
aan de salamander en de pad.
Een kikker
ziet er niet uit
maar heeft een schoonheid
die onvoorstelbaar is
een kracht
die onmetelijk is.
Ik ben een kikker.
En natuurlijk
gelooft men niet
dat ik ook een prins ben.
Een halfgod, een adonis.
Slechts enkelen geloven dit,
Slechts enkelen weten dit.
Slechts enkelen...
Ik heb hen lief.
want
ik ben een kikker.
Ze vroeg de weg
naar het station
maar ik ben niet bekend
in deze stad.
Ik ben helemaal
nergens bekend
behalve op
plekken die niemand kent
behalve ik.
Ik gaf haar antwoord,
ze vroeg erom.
"Zie je dat hoge gebouw
met drie vlaggen
op de top?"
Ze keek over haar schouder.
"Daar moet je niet heen,
da's gevaarlijk,
Er werken mannen
in driedelig kostuum
die geld vragen
met de belofte
dat jij ooit meer gaat krijgen
als je oud bent."
Dat was gelogen,
waarheid bestaat niet.
Niet voor een meisje
dat de weg moet vragen.
Niet voor een man
die niet bekend is
in deze stad.
Rosselini maakte de film.
Bergman in de hoofdrol.
De beelden zijn inmiddels ingekleurd,
maar nog steeds is de grond
gevoelig, breekbaar, fragiel.
Om de vijftien minuten
kotst moeder aarde lava uit.
Om de vijftien minuten
een knipoog uit de hel.
Om de vijftien minuten
poept de duivel wat magma uit.
Uli zorgt dat het eten lekker is
door zijn recepten met de kok te delen.
Uli leidt de weg naar
het hotel genaamd heart of gold.
Uli maakt de ruiten schoon
van de bolvorm halverwege de toren.
Uli citeert nog dagelijks
uit het werk van Nietsche, Heidegger en Goethe.
Uli zorgt voor prachtig weer
in de week dat volgelingen dat nodig hebben.
Uli laat dronken en dikke Denen
zwaar verliezen met een potje tafelvoetbal.
Uli blust de beginnende brand,
die onverwacht in de rijksdag ontstaat.
Uli heeft het idee bedacht
dat de Gedachtniskirche een mooi gedenkteken is.
Uli heeft het initatief genomen
om van Prenzlauerberg een mooie wijk te maken.
Uli was uiteindelijk degene
die de muur in een paar dagen gebouwd heeft.
Uli was uiteindelijk ook degene die
de muur weer eigenhandig heeft afgebroken.
Uli waakt met onvoorwaardelijke liefde
over de mooiste stad van Europa.
Waar de wiskundige in bad zat,
een romein hem vermoorde,
de oudheid nog pronkt,
Michiel de Ruyter het leven liet,
krappe steegjes leiden
tot prozaïsche pleintjes,
een klein restaurant
met jazzmuziek
dat de lekkerste pasta serveert.
Waar stevige rode wijn
wordt ingeschonken door een lieve
veel te jonge schoonheid.
Waar onder de schaduw van een pijnboom
een amfitheater rust.
De toeristenmassa bestudeerd wordt
met een vreemde kat op schoot.
Het is een gevoel,
dat je onverwacht bekruipt,
maar dan hard toeslaat.
Weinigen kennen dit gevoel,
er schijnt zelfs
een moeilijke latijnse naam
voor te zijn.
Het magnus edificium evanesco fobie
of zoiets.
Het tast elke zekerheid aan.
Het desorienteert, het verwart
en maakt onzeker.
Het slaat je uit het lood.
Elke stap weer,
Elke stap weer kijken of
ze er nog staan.
De toren, de flat,
de kerk, de synagoge,
de kroeg, de verlaten kraakpanden.
Staan ze er nog?
Plots verschijnt ze weer,
de televisietoren,
zij staat er nog,
Maar...
waar is de muur?
De gebouwen zijn divers,
straten lopen uit de pas.
Je voelt dat er
zich iets heeft afgespeeld
dat verder gaat,
dan oorlog, een scheiding.
De geschiedenis roept,
schreeuwt, smacht om aandacht.
Elke steen, elke tegel
heeft meer meegemaakt dan ik.
Klein en onzichtbaar
verplaats ik me, een cel,
in de aderen van deze stad.
De littekens zijn niet altijd zichtbaar.
Gedegen, zoals de volksaard voorschrijft,
zijn er maatregelen genomen.
De schande weggepoetst,
De schaamte verholen.
Ik beland bij Hitlers bunker,
weggemoffeld onder een parkeerplaats.
Ik voel mij dicht bij de ondergang
Ik wordt getroffen.
Een vogel schijt en raakt
mij op de geschoren schedel,
twee centimeter
boven de linkerslaap.
Het is niet onmogelijk
de wil heb ik wel
en de kracht
en sterke beenspieren
natuurlijk.
Springen wil ik,
helemaal naar de maan
om daarna terug te zweven,
landend in het park,
waar jij zit
op een bankje
en een boek leest
over krekels
Wel twee keer
wil ik springen.
Of zelfs een derde maal,
als dat nodig is.
Voor als je
de eerste keer
niet oplet
en de tweede keer
afgeleid naar
die ander kijkt.
Maar een vierde keer
is zelfs mij te veel.
Dan zal ik op
de maan blijven,
de aarde,
het park,
het bankje,
het boek over krekels
vergetend.
